RELIGIE-IN-CULTUUR‎ > ‎Archief‎ > ‎

Een mirakel van onze tijd

Een mirakel van onze tijd

Of: de meedogenloze logica van A Course in Miracles

Anton van Harskamp

… en zoudt gij voor u grote dingen zoeken? Zoek ze niet! (Jeremia 45,5)

Er is een nieuwe hype op het gebied waar spiritualiteit en geestelijke gezondheid elkaar raken: A Course in Miracles. Steeds meer mensen zijn gefascineerd door dat boek met die wonderlijke titel. En het zijn niet alleen degenen die kind aan huis zijn in New Age-centra, maar ook spirituele doe-het-zelvers, zij die alleen of met een paar vrienden en vriendinnen de ‘Cursus’ bestuderen.

Het gaat om een monster van een boek, 1249 bladzijden dundruk, een handboek voor spirituele zelfstudie. Doel daarvan is dat we onze gewone gedachten en denkschema´s over onszelf, de wereld en God loslaten. We moeten totaal anders leren waarnemen en denken, opdat ons leven, dat beheerst zou worden door strijd, diepliggende angsten en schuldgevoelens, plaats maakt voor een leven van liefde en harmonie.

De groeiende interesse voor dit geschrift - voor ACIM zoals kenners zeggen – kunnen we een modern mirakel noemen. Dat betreft ontstaan en de aard van de ‘Cursus’, maar ook de centrale boodschap van de ‘Cursus’: de ongemeen optimistische overtuiging dat in deze wereld een volmaakt leven bereikbaar is. De vragen waar we in dit opstel een antwoord op zoeken zijn: waarop baseert de ‘Cursus’ die overtuiging en werkt ze ook een optimistische levensinstelling in de hand?

Ontstaan en aard van de ‘Cursus’

Het boek was al langer bekend bij ingewijden in de wereld van New Age. Vanaf 1972 circuleerden er in de V.S. duizenden kopieën van het manuscript, totdat het in 1976 werd gepubliceerd. Aanvankelijk werd er niets gemeld over de herkomst van de tekst, noch in de ‘Cursus’ zelf, noch binnen de beweging die om het boek ontstaan was. Maar de ‘incrowd’ wist dat de bron van het boek bij een zekere Helen Schucman lag, een feit dat in 1984 door een van de stuwende krachten achter de beweging rond de ‘Cursus’, Judith Skutch, bekend werd gemaakt.

Helen Schucman (1923-1981) was ‘Associate Professor’ in de medische psychologie aan het Columbia Presbyterian Medical Center in New York City. Wonderlijk is – althans voor buitenstaanders –, dat hoewel ze de tekst letterlijk met de hand geschreven heeft, ze ontkende dat de inhoud van de tekst van haar afkomstig was. Het boek wordt geacht een product van ‘channeling’ te zijn.

‘Channelling’ is een tamelijk bekende praktijk in New Age-kringen. Het wordt beschouwd als de doorkomst van informatie van de kant van een geestelijke bron die aan gene zijde ligt van de gewone wereld en het menselijke bewustzijn. De boodschappen worden dus geduid als verbale openbaringen. De vormen waarin het ‘channelen’ plaatsvindt, kunnen sterk verschillen. Het medium kan in extase zijn en tekenen van geestvervoering vertonen. Meestal gebeurt dat in een kleine kring van mensen die elkaar goed kennen. Het komt echter ook voor dat een medium, zittend in een gemakkelijke stoel, voor honderden mensen de boodschappen van een geestelijke entiteit doorgeeft. Beroemd waren bijvoorbeeld in de jaren ’70 en ’80 de Californische sessies van Jach Pursel. Namens het geestelijk wezen Lazaris gaf deze voormalige werknemer van een verzekeringsmaatschappij praktische wijsheden door ten behoeve van de omgang met woede, schuld, neerslachtigheid en andere emoties; soms toegelicht met inzichten uit de quantumfysica, wat het optreden nog opvallender maakte. En dat speelde zich af in de congreszaal van een vijfsterrenhotel, doorgaans in een opgewekte sfeer, voor een publiek van voornamelijk blanke dertigers en veertigers. De samenstelling van dat publiek liep overigens uiteen van chique ‘upper-middle class’ tot traditioneel ‘hip’, en kan dus redelijk gevarieerd genoemd worden.

Bij Helen Schucman ging het minder opvallend. Hoewel? De literatuur schetst een beeld van een getourmenteerd persoon. D. Patrick Miller, journalist en toegewijd ‘Cursus’-student, auteur van een informatief boek over het verhaal achter de ‘Cursus’, geeft aan dat ze een persoonlijkheidsdissociatie vertoonde. Waarmee hij kennelijk bedoelt dat mysticistische en rationalistische neigingen bij haar onverbonden naast elkaar leefden. Opgegroeid in een joods-religieus milieu, met een vader met belangstelling voor esoterie, ontwikkelde ze zich tot een wetenschappelijke psychologe met een rationeel-empirische kijk op de werkelijkheid, niet alleen in haar vak, maar ook daarbuiten. Niettemin had ze vaak mystieke ervaringen, ofschoon ze zichzelf in religieuze zaken als een agnost beschouwde, ook tijdens het optekenen van de overduidelijk religieuze teksten van de ‘Cursus’, waartegen ze, zo vermeldt ze zelf, vaak weerstand voelde.

Kenmerkend voor haar was verder dat ze volop meedraaide in het academische bedrijf, maar ook sterk daaronder leed. Hetzelfde gold voor de man die op de achtergrond een grote rol in de totstandkoming van de ‘Cursus’ speelde, en met wie Schucman haar volwasssen leven lang een gespannen, ‘neoplatoonse’ relatie had, haar formele ‘baas’, de hoogleraar psychologie William Thetford (1923-1984). Wie de ‘Cursus’ leest, kan de afkeer voelen van een praktijk van verzwegen maar harde concurrentie, van de in academische kringen niet ongebruikelijke gewoonte om kritiek als de hoogste waarde te beschouwen, met als gevolg dat mensen ‘zich profileren’ door het werk van anderen af te breken. Thetford en Schucman leden aan die sfeer en vonden dat er een nieuwe tijd van samenwerking met elkaar en met de collega’s nodig was.

Het was in die stemming van ‘zo mogen wij niet meer met elkaar omgaan’, dat de van jongs af mediamiek begaafde Schucman ‘een geluidloze stem’ begon te horen. ‘De stem’ drong erop aan notities te maken. Thetford moedigde haar aan om er maar gewoon gehoor aan te geven, wat ze met tegenzin begon te doen. Dat was in 1965, het begin van een periode van ruim zeven jaar, waarin ze, geholpen door Thetford die haar notities uittikte, achtereenvolgens een tekstboek tot stand bracht, de theoretische fundering van het geheel, 669 bladzijden in druk; verder een werkboek met 365 lessen, één voor elke dag van het jaar, 488 bladzijden lang; en een 92 pagina’s tellend handboek voor leraren. ‘De stem’, door Schucman ook wel ‘De baas’ genoemd, was dwingend en verontrustend, maar van extase was geen sprake. Ze kon ‘het geluidloze spreken’ onderbreken, telefoontjes beantwoorden en andere alledaagse karweitjes doen. Bij lezing van teksten van enthousiaste ‘cursisten’ ontkom je niet aan de indruk dat juist de weerbarstigheid van de persoon van Schucman, het feit dat ze zelfs ‘De Stem’ wel eens tegensprak, als ondersteuningen worden gezien voor de authenticiteit van de boodschap.

De essentie van de inhoud van die boodschap is tegelijkertijd letterlijk kinderlijk eenvoudig en complex. Eenvoudig, omdat de ‘Cursus’ een beroep doet op een oeroud gevoel, een gevoel dat vooral kinderen goed kennen: deze wereld is niet echt, eigenlijk is alles een droom! Complex, omdat de boodschap zegt dat deze krankzinnige wereld van dood en smart niet werkelijk is, maar een illusie, tot stand gekomen doordat wij met onze geest de wereld scheppen waaraan wij lijden. De reden dat wij voortdurend de zogenaamde realiteit als illusie scheppen, is dat wij menen dat we van anderen en van God gescheiden wezens zijn, aparte ego’s. Wanneer we ons echter gaan inzien dat alleen liefde werkelijk bestaat en dat alles wat niet liefde is een illusie is, dan zullen we volgens de ‘Cursus’ langs de weg van spirituele oefening de ware vrede kunnen bereiken. Dan zijn we bovenal in staat om vergeving te schenken en een onvoorwaardelijke liefde te hebben voor letterlijk ieder mens die we ontmoeten, ook voor degenen die ons kwaad (lijken te) doen. Dan kunnen we in de eerste plaats onszelf, maar daarin ook de anderen vergeven. Maar … en dit is een heel bijzonder aspect van de ‘leer’ van de ‘Cursus’: het gaat om vergeving van de kwade dingen die wij en zij nooit gedaan hebben! Al het kwaad is immers een illusie! Overigens, de ‘wonderen’ waarvan de titel spreekt, geschieden wanneer we daadwerkelijk ons waarnemen en denken omkeren, wat tot gevolg heeft dat we onszelf niet meer als van anderen, het universum, God gescheiden wezens zien. Dat zal volgens het boek gaan betekenen dat we niet meer geregeerd worden door angst- en schuldgevoelens, en we waarlijk liefde kunnen uitstralen.

Op deze inhoud van het boek gaan we zo direct nog wat verder in. Nog even verder met de plaatsbepaling van de ‘Cursus’.

Wonderlijk, irritant, lachwekkend, of …?

De vraag die op de lippen brandt is natuurlijk: van wie is ‘De stem’? Wie geldt als de geluidloze spreker? Daarmee komen we bij een aspect van het boek dat vermoedelijk veel mensen niet slechts wonderlijk zullen vinden, maar irritant of zelfs lachwekkend. Ofschoon Schucman zelf op dit punt altijd terughoudend is geweest, is het duidelijk dat ‘De stem’ volgens de tekst die van Jezus Christus is! Onder de kenners is er weliswaar verschil van mening over de vraag of het om de ‘historische’ figuur gaat of om de zogenaamde universele Christusgeest, zeg maar om ieders diepste geestelijke identiteit, maar dat het om Jezus Christus gaat is wel duidelijk (M. 59).1 Zeker wanneer ‘De stem’ over kerstmis en over de dood aan het kruis in de ik-vorm spreekt – een kruisdood die overigens een door mensen geprojecteerde illusie zou zijn (T. 36, 91v., 95, 284, 308, 329).

Bijna net zo irritant, of, al naar gelang de persoonlijke instelling, lachwekkend, kan het mannelijke taalgebruik overkomen, over God als bron van liefde, over de Heilige Geest wordt bijvoorbeeld consequent in de hij-vorm gesproken. Maar vooral zijn er de vele christelijk lijkende begrippen, want naast de centrale term ‘vergeving’ wemelt het in de tekst van termen als verzoening, verlossing, Heilige Geest, het Rijk Gods, hemel, zonde.

Oppervlakkig gezien wekt dat de indruk dat het om een christelijk boek gaat. Dat stootte in de praktijk niet alleen atheïsten af, maar ook nieuw-religieuze zoekers die afscheid genomen hadden van een volgens hen dogmatisch en verkerkelijkt christendom. En deze groep is vrij sterk vertegenwoordigd binnen New Age. Het taalgebruik is echter ook schokkend voor christenen, omdat het bij een slechts iets minder oppervlakkige blik duidelijk is dat de boodschap van de ‘Cursus’ diep en diep onchristelijk is. Overigens, zowel critici als vrijwel alle gelovige ‘cursisten’ zijn het op dit punt met elkaar eens. Om maar enkele verschillen te noemen: de wereld van tijd, van materie, van afzonderlijke menselijke lichamen, is niet door God geschapen. Gezien de illusionaire realiteit van het kwaad geeft de ‘Cursus’ zelfs aan dat de essentie van de wereld die door ons mensen gemaakt is – ‘geconstrueerd’ om het modieus te zeggen - angst en schuld is. Als zodanig is onze wereld ten diepste een aanval op de God die liefde is (W. 413, M. 36v.). In die wereld bestaat de zonde overvloedig, maar au fond bestaat ze niet, want Gods liefde kan nooit werkelijk aangetast of verwond worden. Verlossing is dan ook zuiver en alleen een ontwaken, een tot zichzelf komen van onze geest.

Dat voor wat betreft enkele verschillen in de ‘leer’. Wat het religieuze ‘gedrag’ betreft zijn de verschillen met het christelijk geloof ook immens. Bidden bijvoorbeeld is in de ‘Cursus’ alleen een meditatieve concentratie, voor de beoefening van het vergeven van anderen en zichzelf, geen uitdrukking van een relatie tot een persoonlijke God. En liturgie heeft volgens het boek geen enkele betekenis voor het leven in de waarheid. Hetzelfde geldt voor instituties (kerken). Kortom, we komen in de ‘Cursus’ een flink aantal niet-christelijke opvattingen tegen die in een christelijk aandoende terminologie verwoord worden. Het is voorstelbaar dat dit bij eerste kennismaking met het boek een bron van irritatie wordt. Volgens het zojuist genoemde boek van D. Patrick Miller, hadden heel wat overtuigde ‘cursisten’ aanvankelijk ook de grootste moeite met de ‘christelijke’ taal.

Er zijn nog andere kenmerken die, eufemistisch uitgedrukt, verwondering kunnen wekken. Een deel van het boek, met name het tweede deel van het werkboek, is bijvoorbeeld geschreven in een Shakespeariaans metrum, in een zogeheten jambische pentameter, telkens een versregel van vijf jamben, een onbeklemtoonde lettergreep gevolgd door een beklemtoonde: gevolg van Schucman’s grote liefde voor Shakespeare en haar verlangen naar indringende, poëtisch getinte taal. Vermoedelijk is die taal mede debet aan het ook door de Nederlandse godsdienstwetenschapper Wouter Hanegraaff geconstateerde feit dat als er één tekst is die in de wereld van New Age als een ‘heilig geschrift’ zou kunnen gelden, dat wel de ‘Cursus’ is. Over geen geschrift spreken de ‘gelovigen’ met zoveel ontzag en eerbied.

Voor niet-gelovigen is die verering echter onbegrijpelijk, zeker wanneer we het boek met de ‘echte’ bijbel vergelijken. In deze nieuw-religieuze bijbel treffen we geen verhalen over mensen van vlees en bloed, over profeten die groots én kleinmoedig, koningen die geloofshelden én boosdoeners zijn, geen beeld van een God die soms al te menselijk lijkt - en juist daarom een onuitputtelijk mysterie blijft. Hier geen Psalmen die klagen, smeken, schreeuwen, geen huiveringwekkende apocalyptische visioenen. Nee, de hoofdtekst is een aaneenschakeling van schijnbaar tijdloos aandoende inzichten en wijsheden. Uiteraard altijd uitgesproken door een verheven ‘ik’ of een ‘wij’, een pluralis divinitatis die op een onveranderlijke milde, vaderlijke toon een ‘jij’ aanspreekt: ‘You believed that …’, Your perceptions are distorted because …’, ‘Whatever lies you may believe …’ etc. etc., direct gevolgd door correcties, vaak in de vorm van diepzinnig overkomende ‘one-liners’ als ‘Darkness is lack of light as sin is lack of love’ (T. 11); ‘You can accept insanity because you made it, but you cannot accept love because you did not’ (T. 243).

Het is vooral de bijna eindeloze variatie op enkele, universeel bedoelde inzichten over de diepste aard van het leven, die, zo zou men vermoeden, lezers - in ieder geval deze lezer - in een stemming brengt waarin verbijstering en verveling om de voorrang strijden. Op den duur overwint de verveling. Maar daarvoor heeft de ‘Cursus’ een bestraffende duiding. Want goede ‘cursisten’ zouden alles anders gaan zien. Verveling zal niet meer bestaan, gevolg van het inzicht dat zelfs een ‘… slight twinge of annoyance …’ niets anders is dan ‘… a veil drawn over intense fury’ (W. 32).

Deze argumentatie is typerend. Emotioneel geladen stemmingen als verveling, twijfel, boosheid, kúnnen volgens de ‘Cursus’ eenvoudigweg niet een oorzaak hebben in de werkelijkheid buiten het individu. Ze zijn enkel en alleen een effect van het eigen denken, en dus nooit van een boek als de ‘Cursus’. Want dat eigen denken is, aldus de ideologie, niets anders dan een aanval van het ego op de werkelijkheid (T. 31v., W. 32vv.). Het punt dat irritatie kán wekken, is niet de observatie dat achter verveling woede kan schuilen. Ieder met gezond verstand kan daarover meepraten. Nee, het punt is dat deze argumentatie geuit wordt door een wezen dat volgens het boek van goddelijke aard is. Het is ook een uitspraak over de kern van de werkelijkheid, op het niveau van de religieuze ontologie. Dat sluit weerlegging apriori uit. Zelfs een nuancering is niet mogelijk. Het is deze afscherming voor zogenaamd negatieve gevoelens en kritiek, die het boek, zo zou men denken, voor veel mensen onverteerbaar moet maken.

Negeren?

Eén vraag dringt zich ondertussen met kracht op: waarom moeten we eigenlijk aandacht besteden aan een boek dat bij velen wonderlijk, zo niet irritant of lachwekkend overkomt? Waarom zouden we energie verspillen aan een beweging van ‘cursisten’ die het zogenaamde gezond verstand een beweging van wereldvreemde mensen zal vinden? Kennelijk vindt ‘de’ wetenschap dat die aandacht en energie ook niet nodig zijn. Want afgezien van een enkele godsdienstsocioloog en een godsdienstwetenschapper, houdt de gevestigde wetenschap zich niet met de ‘Cursus’ bezig, noch met de beweging eromheen. Hetzelfde geldt nog sterker voor de wereld van kerk en theologie. Er zijn wat aanvallen vanuit Amerikaanse, fundamentalistische kring – bijvoorbeeld van de op Internet actieve sectebestrijders van het ‘Christian Ministry Report’ – en er is één apologetische behandeling van de ‘Cursus’ door de evangelicale, Amerikaanse godsdienstfilosoof John P. Newport. Maar verder laten kerk en theologie het boek in kennelijke onverschilligheid links liggen.

Toch lijkt dat niet verstandig. Een verschijnsel dat men wonderlijk, of irriterend of lachwekkend vindt, is niet apriori sociaal en cultureel betekenisloos. En er zijn nogal wat tekenen die erop wijzen dat de ‘Cursus’ in de nabije toekomst niet zijn tienduizenden, maar zijn miljoenen zal verslaan! Om er maar een paar te noemen. Van de oorspronkelijke, Engelstalige tekst zijn er op het moment al meer dan een miljoen exemplaren verspreid en verkocht. De uitgave ervan, aanvankelijk verzorgd door een stichting van enkele vrienden van Helen Schucman, de ‘Foundation for Inner Peace’, is nu overgenomen door de gerenommeerde uitgever Viking Penguin, onderdeel van Penguin Books! Daarnaast zijn er al vertalingen in het Spaans, Duits, Portugees en Hebreeuws. Er zijn meer vertalingen in voorbereiding, onder andere in het Nederlands, te verschijnen bij uitgeverij Ankh-Hermes in november 1999. En wie wel eens een ‘esoterische’ boekhandel bezoekt of de kast ‘Esoterie’ of ‘Spiritualiteit’ in de ‘gewone’ boekhandel bekijkt, zal niet alleen vaak de ‘Cursus’ prominent aantreffen, maar ook een aantal commentaren en boeken die op de ‘Cursus’ voortbouwen, waaronder o.a. een zeer gedetailleerde concordantie van de hand van de meest eminente kenner van het boek, de psycholoog Ken Wapnick. Alleen in het Nederlands al zijn er op het moment minstens vier (vertaalde) boeken over of naar aanleiding van de ‘Cursus’ beschikbaar. In de V.S. bestaat er rond de ‘Cursus’ al een echte beweging, met studiecentra, uitgeverijen, tijdschriften; ook met de verdeling van de beweging in ‘rekkelijken’, die meer aandacht leggen op de relatief gemakkelijk te bereiken pyschologische effecten van de ‘Cursus’, en ‘preciezen’ die vooral aan de onderliggende ‘leer’ willen vasthouden. Tekenend voor een sociaal gezien volgroeide beweging is, dat er zelfs formele ‘kerken’ zijn ontstaan waar de inzichten van de ‘Cursus’ gepredikt worden, niettegenstaande het anti-kerkelijke sentiment van het boek. Er zijn zelfs enkele gemeenschappen rond de ‘Cursus’ die onder de meerderheid van de ‘cursisten’ als sectarisch gelden.

Verder zijn er in en buiten de V.S. duizenden studiegroepen, en, niet te vergeten, een zeer ruime keuze aan forums en sites op Internet. Wie via een ‘search engine’ op zoek gaat naar ‘A Course in Miracles’ zal verbaasd staan. Nee, het boek zal wellicht niet zo’n hausse beleven als ‘De Celestijnse Belofte’, daarvoor is het vermoedelijk te moeilijk, maar het is waarschijnlijk dat de populariteit voorlopig zal toenemen en langduriger zal zijn dan de bestseller van James Redfield.

Gnosticisme

Maar er is nog iets anders dan deze kwantitatieve feitelijkheden, wat maakt dat de ‘Cursus’ misschien wel wonderlijk, maar zeker niet betekenisloos is. Dat is, dat we in dit boek een variant aantreffen van de klassieke rivaal van het christendom in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling, het gnosticisme. Er lijkt vooral verwantschap te bestaan met het zogenaamde valentinianisme, de sterk wijsgerig-speculatieve variant van het gnosticisme, genoemd naar de wijsgeer Valentinus, die, zelf van Egyptische oorsprong, rond het midden van de tweede eeuw n. Chr. in Rome werkte.

Afgaande op het klassieke werk van Hans Jonas over het gnosticisme mogen we deze variant van het gnosticisme zien als een intellectuele school waarin het probleem van goed en kwaad strikt monistisch wordt aangepakt. Kenmerkend voor dit gnosticisme is onder meer dat goed en kwaad in termen van kennis en onwetendheid verwoord worden, in beeldende taal ook wel in termen van licht en duisternis. Dat is door ons ‘modernen’ alleen maar enigszins te begrijpen, wanneer we aanvoelen dat gnostische ‘kennis’ geen informatie is die een subject heeft over de werkelijkheid buiten hem of haar. Nee, kennis in gnostische zin is bij uitstek participerende kennis. Deze kennis duidt een situatie aan waarin het subject met al zijn of haar vermogens verenigd is met het gekende object. Dat is een situatie die in onze taal niet goed te verwoorden valt, getekend als die is door de schematische voorstelling van los van elkaar staande sprekende, denkende en voelende subjecten aan de ene kant en objecten, dingen en andere mensen aan de andere kant (zodat we eerder geneigd zijn om de gnostische kennis als zoiets als mystieke extase te betitelen). Maar hoe dat ook zij, kennis is in het valentiniaanse gnosticisme niet alleen een zaak van het kennende subject, maar ook van het gekende object. Gezien op het diepste religieus-metafysische niveau, vanuit het perspectief van het goddelijke waaruit alles voortkomt, houdt dit in, dat kennis en onwetendheid dus ontologische posities van de allerhoogste orde zijn. Ze geven, anders gezegd de aard van de werkelijkheid als zodanig aan.

Nu kán het valentiniaans monisme zich in meer vormen uiten. Eén ervan is gebaseerd op de huiveringwekkende gedachte, dat vanuit goddelijk perspectief bezien, vanuit de bron van al het bestaande, kwaad en duisternis de noodzakelijke weg vormen waarlangs het goddelijke in een kosmisch verlossingsproces tot zichzelf komt. Hoewel deze gedachte - die dus inhoudt dat het kwaad zijn grond in het goddelijke zelf vindt - niet voorkomt wanneer de ‘Cursus’ uitspraken doet over ‘de’ werkelijkheid als zodanig, is ze wel duidelijk aanwezig op psychologisch niveau. Want ieder moet door de onwetendheid heen naar de verlossing. Psychologisch gezien is volgens de ‘Cursus’ de doortocht door de reële illusies van angst, woede en schuld noodzakelijk voor ware menselijkheid. Daarop komen we later nog even terug.

Een andere vorm van valentiniaans monisme op het vlak van de beschrijving van ‘de’ werkelijkheid als zodanig, komen we in de ‘Cursus’ wel tegen, en dat is de verrassend simpele en verstrekkende gedachte, dat kwaad, inclusief schuld, zonde, lijden, eigenlijk niet meer dan een sluier vormen, door kennis weg te rukken illusies.2 Al direct in het ‘Woord Vooraf’ kunnen we lezen, dat de werkelijkheid van zowel subjecten als objecten in essentie slechts één echt gebied kent, dat van de kennis (X). Waarbij kennis anders dan in ons gewone denken en waarnemen in de ‘Cursus’ de situatie aangeeft waar er een directe en totale vereniging is met de kern van het gekende, zonder tussenkomst van zintuigen, verstand of interpretatie (T. 40vv., 74). Precies als in het gnosticisme.3

Ook datgene wat in het valentianisme het absoluut uitgeslotene van kennis is, onwetendheid, duikt in de ‘Cursus’ talloze malen op onder de naam van ‘waarneming’ of ‘ons denksysteem’. En ook dan duiden deze woorden niet alleen een subjectieve, intellectuele activiteit aan, maar juist ook de werkelijkheid buiten het enkele individu, de werkelijkheid zoals we die in het gewone leven ondergaan. Het door buitenstaanders vrijwel niet te vatten punt is telkens: we ondergaan het gewone leven wel als werkelijk, maar we moeten leren zien, dat ‘Everything you see is the result of your thoughts’ (W. 26). Essentieel is hier het begrip ‘projectie’. Onze projectie, dat wil zeggen onze neiging om dat wat in ons binnenste is, buiten ons te plaatsen, te veronderstellen is het betere woord, is het scheppende principe van al wat we waarnemen: ‘Projection makes perception’ zegt het ‘Woord Vooraf’: ‘We look inside first, decide the kind of world we want to see and then project the world outside, making it truth as we see it’ (XI). En omdat die hele, door ons zelf gemaakte wereld buiten ons zo kwetsbaar is, moet ze voortdurend door ons verdedigd worden, zijn we zelf voortdurend in aanval en verdediging, en voelen we ons onvermijdelijk schuldig over het telkens weer mislukken van dat illusionaire project. De centrale boodschap van de ‘Cursus’ is dan ook in talloze varianten, dat we dit mechanisme moeten doorzien, ons moeten herinneren wie we onder die agressieve, en schuld beladen mentale toestand zijn: kinderen van de liefde. Zo treffen we in de ‘Cursus’ een variant van het oude gnosticisme.

Oprah en Marianne

Maar maakt die nieuwe verschijningsvorm van dat oude stelsel de ‘Cursus’ eigenlijk wel betekenisvol? Dit is wel een aspect dat het boek zo mogelijk nog wonderlijker maakt dan het al is, ook al omdat het vrijwel zeker is dat Helen Schucman niets van het gnosticisme afwist. Maar betekenisvol? Hebben we hier niet alleen maar te maken met een hoog-abstract, speculatief kenmerk van het boek, dat hooguit interessant is voor een klein groepje wetenschappers?

Het antwoord is nee. We moeten vermoedelijk die theologen gelijk geven, die menen dat hét alternatief voor niet alleen het christendom als levens- en wereldbeschouwing, maar ook voor het zogenaamde seculiere humanisme, niet het atheïsme is of een of andere vorm van materialisme, maar het telkens in de geschiedenis opduikend gnosticisme! Dat is volgens deze overtuiging de echte, serieus te nemen rivaal - van, nogmaals, het christendom én het zogenaamde seculiere humanisme. Dat zou zeker gelden in deze tijd, waarin, aldus bijvoorbeeld de theoloog J.B. Metz, de christelijke ‘Gotteskrise’ en de onzekerheden die daardoor ontstaan zijn, door het ongeneeslijk religieuze dier ‘mens’ worden opgevangen in een nieuwe ‘Gottesförmigkeit’; met andere woorden: door geloof in krachten en werkelijkheden in deze wereld, die een godgelijk, want totaal verlossend karakter hebben!

Een dergelijke visie wordt ondersteund door een opmerkelijk gebeuren. Nog niet zo lang geleden konden we zien - letterlijk ‘zien’, want het was op de t.v. - dat de ideologie van de ‘Cursus’, omgezet in psychologische adviezen, allerminst een zaak is voor een kleine, wetenschappelijke of intellectuele elite. Integendeel, de centrale ideeën van de ‘Cursus’ blijken het bijzonder goed te doen bij massa’s mensen die psychisch en existentieel met de onbevredigende en verontrustende kanten van ‘het moderne leven’ te kampen hebben - en wie van ons heeft dat niet? Het gaat om Marianne Williamson, schrijfster van A Return to Love, inmiddels megaster op het gebied van spiritualiteit en het nieuwe denken. A Return to Love is een praktisch-psychologische gids en geheel en al gebaseerd op de principes van de ‘Cursus’. In 1992 stond het in de V.S. zeventien weken lang aan de top van de non-fictie bestsellers. Williamson zelf was in dat jaar twee keer gast bij ‘The Oprah Winfrey Show’, de eerste keer zelfs een heel uur. En Oprah was er verrukt van! Ze vertelde de kijkers dat ze zelf 1000 exemplaren had aangeschaft om aan vrienden en medewerkers te geven (en na de ‘hamburgeraffaire’ weet ieder wat voor een effect haar meningen hebben). Ondertussen is het boek in vele vertalen vertaald, ook in het Nederlands bij uitgeverij ‘De Zaak’ (eind 1997 al de vierde druk).

Het boek schetst situaties en levensproblemen die voor veel mensen herkenbaar zijn. En het leven van Williamson zelf is in zekere zin voorbeeldig voor een specifiek soort westerse problematiek. Jong, aantrekkelijk, academisch gevormd, maakt ze in een paar jaren een bijna klassiek te noemen ontwikkeling door. Van links studentenactivisme, een reeks van relaties, banen, huizen, dat alles ingebed in materiële omstandigheden die het niet nodig maakten om zelfs maar aan tekorten of ziekte te denken, laat staan aan armoede, raakte ze meer en meer onzeker en verontrust over zichzelf, ook over de existentiële verveling die ze onder haar hyperactieve leven begon te vermoeden. Pogingen om die onrust te stillen met eten, drugs, nog meer relaties, waren natuurlijk tevergeefs. En alles zou o.k. moeten zijn! Maar dat was het niet. Ze schrijft dat ze van zichzelf begon te walgen, waarna de walging als het ware naar de wereld oversloeg: er was volgens haar iets fundamenteels mis met de wereld waarin mensen lijden, ziek worden en doodgaan. En dan komt de gedachtenwereld van de ‘Cursus’ in beeld, want ze begon te ontdekken dat het probleem bij haarzelf, en bij de innerlijke wereld van haar eigen generatie lag.4 Het probleem van onze generatie, schrijft ze treffend, is dat we doodsbang zijn. Waarna de argumentatie is: en we waren ooit perfect, we leefden in een wereld vol betovering, maar dat zijn we vergeten. We zijn onszelf innerlijk gaan onderdrukken, met ons zogenaamd gezond verstand dat echter wezenlijk agressief is, omdat het in laatste instantie een wereld vooronderstelt waarin ieder met ieder vecht om te overleven. Voor al onze angsten, voor onszelf, voor de anderen, ja voor de dood en de zinloosheid is er daarom in wezen slechts één oplossing is: we moeten leren erkennen dat er slechts één echte, reële, universele kracht ten goede is. En tot die erkenning, die tegelijkertijd een vertrouwen is dat alleen goedheid en liefde bestaan, kunnen we slechts komen door terug te keren naar ons potentieel van liefde, het enig echt bestaande potentieel. Wat inhoudt dat we onszelf, ons denken en waarnemen, moeten en kunnen veranderen. Daar ligt de enige grond voor verandering van onszelf en de wereld. Vanuit deze grondgedachten laat ze dan zien hoe in praktische situaties, vooral op het ‘relationele’ vlak, de angstdroom, de hallucinatie die we zelf van onze wereld maken, vervliegt, en een waarlijk zinvol leven mogelijk is.

Het zijn deze voor de talkshow-cultuur kenmerkende opvattingen – ‘we zijn vergeten wie we zijn’ herhaalde Oprah Winfrey meerdere keren - die een gnostische, of zo men wil, nieuw-religieuze achtergrond hebben. Het is met name de op het eerste gezicht massieve veroordeling van ‘de’ wereld en de boodschap dat alles, werkelijk alles, beter kan worden door je eigen mentale instelling te veranderen. Nee, het gnosticisme van de ‘Cursus’ ligt niet ver weg, in de abstracte beschouwingen van wetenschappers. We kunnen het letterlijk elke dag zien en horen. Precies dat maakt de ‘Cursus’ betekenisvol. Reden om tot slot nog eens even naar het mogelijk effect van de kernleer van de ‘Cursus’ te kijken.

‘Unheimisch’

De paradox die het lezen van de ‘Cursus’ kan opleveren, is dat deze uitbarsting van optimisme, van de verzekering dat we door de verandering van ons eigen denken en waarnemen een ‘quantumsprong’ naar een volmaakt bestaan kunnen maken, een ‘unheimisch’ gevoel kan achterlaten. Dat heeft vermoedelijk te maken met wat we de ‘scheppingsleer’ van het boek kunnen noemen

Een hoeksteen van het hele systeem is het begrip ‘afscheiding’. God schiep volgens de ‘Cursus’ alles in overeenstemming met zijn eigen natuur. Alles had – volgens de ‘leer’ zouden we eigenlijk moeten zeggen: ‘alles heeft’ - een goddelijke natuur. De mensen waren – zijn – extensies van de goddelijke innerlijke uitstraling (T. 17). Maar dan komt de zonde. Dat is in essentie de (valse) overtuiging dat we ons van God afgescheiden hebben. Het is de overtuiging, schrijft Wapnick, dat we een zelf zijn dat is afgescheiden van ons ware Zelf, dat is de Christusgeest. En dit is volgens dezelfde Wapnick het begin van alle ellende in de wereld. Het schept de illusies van een zelfstandige materiële wereld, van lichamen die geheel los van elkaar en de kosmos staan, ook de illusies van de alsmaar verstrijkende tijd (vgl. T. 79. 245v.), en, last but not least de centrale illusie van de dood (T. 4, 416-419, W. 445). Maar bovenal maakt de afscheiding die ons ego is - ons kleine zelf – ieder tot een ’ik’ dat verscheurd wordt door schuld (T. 83v.). Schuld, beter is het om van schuldgevoel te spreken, is volgens de ‘Cursus’ het samenvattend begrip voor onze gewone aardse bestaan, de basis van al onze gevoelens waarin we feitelijk lijden aan de eenzaamheid en het afgesneden-zijn van medemensen, van de wereld en van God. Maar dat soort gevoelens zijn zo sterk en zo eigen aan het gewone ‘ego’, dat dit in het geheim zelfs verlangt naar schuld, er onvermijdelijk door aangetrokken wordt (T. 319, M. 77). Dat maakt ons volgens de ‘Cursus’ zo diep angstig (T. 84). En omdat we niet inzien dat die existentiële angst door onszelf geschapen is, projecteren we haar naar buiten, en zijn we geneigd anderen als ons bedreigende wezens te zien. Wat leidt tot een alsmaar omhoog spiralend, gruwelijk spel van aanval, verdediging en steeds meer schuldgevoel (T. 357v.v.).

Op deze gedachtengang kan men in het spoor van de ‘Cursus’ bijna eindeloos variëren. Wapnick, de meester-exegeet van de ‘Cursus’, doet dat ook, en tot in een hoge graad van sophistication. Het verontrustende punt in deze redenering is echter de eenduidig negatieve benadering van de ‘gewone’ wereld. Om de sfeer van de ‘Cursus’ te proeven hier een flink citaat:

… this world is the symbol of punishment, and all the laws that seem to govern it are the laws of death. Children are born into it through pain and in pain. Their growth is attended by suffering, and they learn of sorrow and separation and death. Their minds seem to be trapped in their brain, and its powers to decline if their bodies are hurt, They seem to love, yet they desert and are deserted … And their bodies wither and gasp and are laid in the ground, and are no more. Not one of them but has thought that God is cruel.

If this were the real world, God would be cruel. For no Father could subject His children to this as the price of salvation and be loving … Only the world of guilt could demand this, for only the guilty could conceive of it (T. 236).

Twee dingen moeten we hierbij bedenken. Het eerste is, dat de therapeutische ‘healing’ waarvoor de ‘Cursus’ een hulpmiddel wil zijn, feitelijk van de ‘cursisten’ verlangt dat zij doordrongen zijn van, ja voortdurend mediteren op de ellende die ‘de’ wereld is. Want het gaat niet slechts om de constatering van het alledaagse verstand dat er veel armen, hongerigen, zieken, slachtoffers van oorlogen en andere rampen, en andere ongelukkigen zijn; de ‘Cursus’ wil laten zien dat lijden het wezen van het bestaan is. Het begin van het pad naar de wijsheid, schrijft de al genoemde D. Patrick Miller dan ook, is het inzicht in het troosteloze beeld dat de niet-verlichte wereld biedt, net als in het boeddhisme, zo voegt hij toe. Maar de ‘Cursus’ hamert zo onophoudelijk op dat aambeeld, dat de lezer – nogmaals: deze lezer – niet onder het vermoeden uitkomt, dat er niet alleen maar sprake is van een lijden aan, maar daaronder ook van een obsessie van de auteur van de ‘Cursus’ met de ellende en het lijden dat deze wereld zou zijn. De zekerheid dat ‘deze’ wereld door zonde en kwaad getekend is, is zo groot, dat er geen ruimte lijkt te bestaan voor vertrouwen in de zin van het ‘gewone’ leven. Er is alleen de totalitair-spirituele wil om eerst van die wereld los te komen om haar daarna in een volstrekt omgekeerd denken en waarnemen weer op te bouwen.

Aan het citaat van daarnet kunnen we ook zien – dit ten tweede – hoe groot het verschil tussen de ‘Cursus’ en het christelijk scheppingsgeloof is. De ‘Cursus’ lijkt op dit punt strikter te redeneren dan het christelijk geloof. Voortgedreven en tot het uiterste bewogen door het lijden in de wereld, zegt de ‘Cursus’ dat deze wereld dus niet door de God die liefde is geschapen kán zijn. En voor de kennelijk werkzame aanwezigheid van het lijden heeft de ‘Cursus’ zowel een duiding als een verklaring: het lijden als gevolg van het kwaad bestaat niet echt, en als illusie is het een product van onze geest. Het christelijk geloof heeft in de grond van de zaak een minder strikt logische zienswijze. Het zegt aan de ene kant dat er een goede reden is voor ons aardse bestaan, een bestaan dat juist niet van goddelijke, maar van natuurlijke en eindige aard is, een bestaan waarvan we kunnen genieten in vertrouwen op de zinvolheid van juist de ‘gewone’ activiteiten in het leven. Aan de andere kant, zegt bijvoorbeeld de theoloog H.M. Kuitert, weet het geloof ook van kwaad, bitterheid, gruwelijkheid zonder weerga in de door God geschapen wereld. De schepping is dus goed, zegt de christen, en toch is het onmogelijk om te zeggen dat alles wat is, ook goed is. Theologen noemen dat wel ‘het bittere raadsel van de goede schepping’. Is dat logisch? Bepaald niet. Maar het correspondeert wel meer met de menselijke ervaring van het mysterie en de ambivalenties die eigen zijn aan ‘het’ leven.

Dat laatste kan verduidelijkt worden aan de hand van de visie op ‘de’ mens. Voor de ‘Cursus’ is ‘de’ mens een ego, onvermijdelijk getekend door schuld en angst en zonde, en dat alles als gevolg van ons eigen mentale beeld, namelijk dat we letterlijk unieke, op onszelf staande wezens zijn. Kenmerkend voor het christelijk geloof is echter, dat elk mens én van oneindige waarde is, een heilig wezen, én tegelijk moreel gevallen; in de taal van de Reformatie: én gerechtvaardigd én zondaar: simul iustus et peccator. Dat is onmogelijk binnen het denkkader van de ‘Cursus. Het ís ook niet logisch, het zegt dat ‘de’ mens, elke mens, een mysterie is en dat we het menselijk gezien onoplosbare uiteindelijk onopgelost kunnen laten. Toch drukt het iets uit van de reële ambivalenties die we soms ervaren. Bijvoorbeeld wanneer we ons verdiepen in het leven van een afschuwelijke misdadiger en, schokkend genoeg, ook zijn menselijke kanten opmerken, of wanneer we omgekeerd geconfronteerd worden met duistere onderkanten van onszelf en alle andere evident aardige en fatsoenlijke mensen. Dit soort ambivalenties erkent de ‘Cursus’ niet. En juist dat maakt het zo ‘unheimisch’, omdat het boek toch voortdurend bezig met bewijzen is dat lijden en kwaad slechts illusies van ons zijn. Het bestrijdt zo indringend iets dat er ‘eigenlijk’ niet zou zijn, dat je alleen maar kunt concluderen dat onder al het optimisme een obsessie met dat niets schuilt.

Meedogenloos

De logica van de ‘Cursus’ maakt het boek echter niet alleen ‘unheimisch’, maar ook meedogenloos. Hoe kan dat? Is de boodschap van de ‘Cursus’, vergeleken met het christelijk geloof, niet ongewoon optimistisch en menslievend? Iedereen zou immers in dit leven een quantum-sprong kunnen maken naar een leven van vrede, harmonie en liefde (T. 75 en passim). De mogelijkheid tot geluk ligt, anders gezegd, toch in jezelf? En dat is op het eerste gezicht heel wat anders dan het christelijk geloof, dat zegt dat hier en nu geen volmaaktheid mogelijk is, dat zegt dat de ware realisering van wat een individu is, niet in de tijd en niet door onszelf plaats kan vinden, maar ons van buitenaf, letterlijk ook buiten de tijd, door genade geschonken moet worden. Dat is een geloof dat, het moet gezegd, een onderdrukkende ideologie kan opleveren – de historie van het christendom laat dat overvloedig zien. Maar, dat moet ook gezegd, het is ook een geloof dat kan leiden tot de zeldzaam vertroostende gedachte, dat ik zelf niet alle zin aan mijn leven hoef te geven, die zin niet hoef te maken, zelfs niet precies hoef te doorgronden.

De boodschap van de ‘Cursus’ lijkt inderdaad optimistisch en menslievend. Wie er echter wat langer bij stil staat, zal merken dat de weg naar dat geluk bovenmenselijk zwaar is. Want we zijn volgens de ‘Cursus’ ego’s die allereerst de eigen schuld en angst moeten aanpakken, wat alleen maar meer schuld en angst zal oproepen (T. 53). We moeten, schrijft Wapnick door een – uiteraard ogenschijnlijke – gruwelijke beklemming heen (vgl. T. 394, W. 375v.). Niemand ontkomt volgens Wapnick dan ook aan een toename van schuld- en angstgevoelens, wanneer hij of zij serieus met de ‘Cursus’ in zee gaat.

Maar, zo zou men denken, de beloning is er dan ook naar! Maar het valt te betwijfelen of die beloning menselijkerwijs ooit werkelijk gehaald kan worden. Dezelfde Wapnick beklemtoont ook, dat hij weinig geloof hecht aan die studenten die zeggen zonder veel problemen de ‘Cursus’ al geheel en al verwerkt te hebben. De ‘Cursus’ is volgens hem - sommigen noemen hem de ‘paus’ van de beweging – niets minder dan een zelden voltooide, want levenslange opgave. Het boek is uitzonderlijk veeleisend. En dat is in de grond van de zaak ook logisch. Want laten we nog eens bedenken dat de ‘Cursus’ in wezen twee dingen bijna tegelijkertijd zegt. Aan de ene kant geeft het boek telkens en telkens weer aan, dat alle ervaringen van lijden en ellende, het lijden en de ellende buiten en binnen ons, uitsluitend en alleen een gevolg zijn van het lijden dat we onszelf aandoen. Dat is de facto een uitzonderlijk zware beschuldiging aan ieder van ons. Aan de andere kant echter houdt de ‘Cursus’ ons voor dat ieder van ons de potentie en het vermogen bezit om het lijden te doorzien en daarmee te verwijderen. Maar het is juist die combinatie die ieder van ons een werkelijk afschrikwekkende verantwoordelijkheid oplegt. Want stelt u zich voor: telkens als we falen op de ingeslagen weg naar het geluk – en dat ligt menselijkerwijs, ego’s-gewijs moeten we zeggen - zonder meer voor de hand, moeten we onszelf, en alleen onszelf, daar letterlijk de schuld van geven. En dat mag je meedogenloos noemen.

Het totaalbeeld

We ontmoeten in de ‘Cursus’ en de beweging eromheen een oude religieuze ideologie die tegelijkertijd nieuw is. De impetus van die ideologie, zeg maar de drift erachter, is oprecht en authentiek. De aanhangers zijn diep getroffen door het kwaad en het lijden in de wereld.

De gevoeligheid die daaruit spreekt, is echter zo sterk geworden, dat ze hen brengt tot de overtuiging dat alles lijden is. Daarmee lopen ze het gevaar te gaan lijken op degenen die de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer in zijn gevangenisbrieven typeerde als hen die de mens eerst tot wanhoop willen brengen, zo ver dat hij zijn geluk beschouwt als ongeluk, zijn gezondheid als ziekte en zijn levensmoed als wanhoop. Het meest bijzondere van de ideologie van de ‘Cursus’ is vervolgens de paradoxale inzet om ons te leren het kennelijk alom aanwezige kwaad en het lijden te zien als juist niet aanwezig! Dat laat de totalitair te noemen wil zien – totalitair op een spiritueel vlak – om niet de ambivalenties van het leven te erkennen, om geen rekening te houden met de mogelijkheid dat het, zeker in grenssituaties, mensen niet gegeven is om absoluut, dus scherp en eens en voor altijd, te onderscheiden tussen goed en kwaad. De ‘Cursus’ leeft echter daarmee vanuit de zekerheid dat ‘De Waarheid’ bestaat en in beginsel door menselijke inspanning hier en nu te bereiken is. En ‘De Waarheid’ is ‘unalterable, eternal and unambiguous’, om uit het ‘Woord Vooraf’ van de ‘Cursus’ te citeren (X). Daarmee is de religieuze ideologie van de ‘Cursus’ er één die ver verwijderd is van het christelijk geloof, waarin, wanneer het om de ‘laatste dingen’ en het kwaad gaat, de aanvaarding van het onoplosbare, van het mysterie van het leven voorop staat, in een uiteindelijk niet volstrekt rationeel te funderen vertrouwen.

De ‘cursisten’ voelen zich ook vaak als mensen die afscheid genomen hebben van, of niets meer te maken hebben met de last en de druk van een verkerkelijkt christendom. Maar wat is er voor in de plaats gekomen? Een religieuze ideologie die in de vorm van een extreem optimistische visie op de mens, het individu een onvergelijkelijk veel grotere last en druk oplegt. Het is de last om zelf het leven te scheppen - via het loslaten van het eigen ego, dat wel, maar wel uit eigen kracht en potentie. En het is de druk die voortkomt uit het besef dat elk moment dat ik nog niet volmaakt ben, het gevolg is van mijn eigen schuld. Dat alles maakt de ‘Cursus’ unheimisch en meedogenloos. Wat dus, tot slot, te denken van een dergelijke ontwikkeling naar deze ‘nieuw-oude ideologie? Daar passen misschien deze woorden voor: verbijsterend en triest!

Aantekeningen

1. Verwijzingen naar teksten van de ‘Cursus’ worden gegeven door een letter, gevolgd door paginanummer(s). T. staat voor ‘Text’, W. voor ‘Workbook for students’ en M. voor ‘Manual for Teachers’.

2. Dit kan tot de vraag leiden wat nu eigenlijk de diepste oorzaak is van het feit dat wij mensen een wereld hebben geschapen die dan wel een illusie is, maar een illusie die, dat geeft de ‘Cursus’ strijk en zet aan, zo veel pijn doet, die puur negatief is. Waarom zijn we ooit van Gods liefde afgescheiden? De ‘Cursus’ geeft geen antwoord op deze vraag. Slechts in één, vaak aangehaalde passage vermeldt het boek dat in de eeuwigheid, toen alles een was, er een nietig, gek idee opkwam dat maakte dat de Zoon van God vergat te lachen (T. 586). Door dat moment van vergeten ontstond de illusie van onze wereld, die in essentie een wereld van het kwaad is! Dit beeld zou strikt genomen kunnen betekenen dat deze wereld toch haar diepste grond in God heeft. Maar dit is niet in overeenstemming met de ideologie van de ‘Cursus’. Bij nader inzien is de feitelijke weigering van de ‘Cursus’ om de vraag naar de laatste grond van de ‘wereld’ te beantwoorden, logisch en consequent, ijzingwekkend consequent zelfs. Een antwoord op de vraag zou immers betekenen dat mensen in de gewone zin afstandelijke kennis zouden hebben over de grond van de wereld en alle kwaad. Maar dat zou in de ideologie van de ‘Cursus’ alleen maar dat kwaad verlengen. Zodat we deze passage over het lachen van de Zoon van God moeten zien als een didactische aanmoediging. Op meer plaatsen wordt aangegeven dat onze oorspronkelijke situatie er een is van liefde, vreugde en lachen, en dat we zouden moeten leren lachen om onze wereld, om ons ego en om alle illusies waaraan we lijden. Ieder die wel eens met New Age te maken heeft gehad, zal wel eens iets gevoeld hebben van de bijzondere rol die het ‘lachen’ in deze kringen speelt. Het doet denken aan de gnostieke zekerheid van de ‘verlichten’, de ‘pneumatici’ die vanuit de hoogte van hun kennis minzaam glimlachend neerkijken op de vergeefse pogingen van de ‘onwetenden’.

3. Overigens is dit een situatie waarnaar de ‘Cursus’ de ‘student’ zegt te willen leiden. Uiteraard biedt het boek die kennis niet zelf, gebonden als het is aan gewone taal en aan een materiële verschijningsvorm (T. 396).

4. Overigens, op de echt ‘zware’ opvattingen van de ‘Cursus’ gaat Williamson niet in; over Jezus Christus als ‘De stem’ bijvoorbeeld schrijft ze niet, te controversieel wellicht.

5. De Amerikaanse godsdienstwetenschapper Catharine L. Albanese heeft eenzelfde soort vermoeden ten aanzien van New Age in het algemeen. Maar zij benadert het van de andere kant. Ze spreekt van een soort ‘conspiracy of optimism’, een optimisme dat in de ‘Cursus’ tot uitdrukking komt in de visie dat al die ellende au fond een illusie is. Dat wordt echter zo onophoudelijk, met zo´n inzet benadrukt, dat men een verborgen betrokkenheid op schuld, dat symbool van alle negatieve gevoelens, overtuigingen en waarnemingen mag vermoeden: ‘Original sin lurks at the borders of the new fields and lands. Guilt, obligation … peek through the new spiritual wool and flax in the fields’.

Literatuur

C.L. Albanese, Fisher Kings and Public Spaces, in: The Annals of The American Academy of Political and Social Science, May 1993, 131-143.

E. Babbie, Channels to Elsewhere, in: Th. Robbins/D. Anthony ed., In Gods We Trust: New Patterns of Religious Pluralism in America (Second Edition), New Brunswick (U.S.A.) /London (U.K.): Transaction Publishers 1991, 255-268.

A Course in Miracles: Combined Volume, New York/London etc.: Viking Penguin/Foundation for Inner Peace 19962.

W.J. Hanegraaff, Chanelling-literatuur: Een vergelijking tussen de boodschappen van Seth, Armerus, Ramala, en ‘A Course in Miracles’, in: Religieuze bewegingen in Nederland 22 (1991) 9-44.

Id., New Age Religion and Western Culture: Esotericism in the Mirror of Secular Thought, Utrecht: Diss. Utrecht University 1995.

H. Jonas, The Gnostic Religion, Boston: Beacon Press 1963

H.M. Kuitert, Het algemeen betwijfeld christelijk geloof: Een herziening, Baarn: Ten Have 1992.

J.P. Newport, The New Age Movement and the Biblical Worldview: Conflict and Dialogue, Grand Rapids (U.S.A.)/Cambridge (U.K.): Eerdmans 1998.

D.P. Miller, The Complete Story of the Course, Berkeley: Fearless Books 1997 (in Ned. vert.: Het verhaal achter Een cursus in wonderen, Deventer: Ankh-Hermes 1998).

R. Perry, A Course Glossary: 158 Definitions from A Course in Miracles, Internet: http://nen.sedona.net/circleofa/NewCourseGlossary/acim

K. Wapnick, Inleiding tot Een cursus in wonderen, Deventer: Ankh-Hermes 1998 (vert. van A Talk Given on A Course in Miracles, Roscoe: Foundation for ‘A Course in Miracles’).

Id., Absence from Felicity: The Story of Helen Schucman and Her Scribing of A Course in Miracles, Roscoe: Foundation for A Course in Miracles 1991.

Id., ed., Concordance of A Course in Miracles: A Complete Index, New York etc.: Viking Penguin/Foundation for Inner Peace 1997.

A.S. Weiss, A New Religious Movement and Spiritual Healing Psychology Bases on A Course in Miracles, in: A. Greil/Th. Robbins ed., Religion and The Social Order (Volume 4: Between Sacred and Secular: Research and Theory on Quasi.Religion), Greenwich (U.S.A.)/London (U.K.): Jai Press 1994, 197-215.

M. Williamson, Terugkeer naar liefde: Leven met de principes van A Course in Miracles, Groningen 1997 (vert. van: A Return to Love, New York: Harper Collins 1993).