Het spel en de regels

Enkele wijsgerige aantekeningen bij rituelen 

Bart Voorsluis

 

Vooraf wat bezwaren

Filosofie en rituelen – is dat niet een ongepaste combinatie, of althans één waarbij waakzaamheid is geboden? Natuurlijk, puur fenomenologisch gezien kan de wijsgerige reflectie zich richten op elk verschijnsel van enig belang om het licht van de rede daarover te laten schijnen. Maar vormt nu juist het onderhavige onderwerp niet een bedreiging voor die reflectie? Immers, wijsbegeerte is, in historisch opzicht, juist ontstaan in krachtig verzet tegen een voorstellingswereld waarin rituelen een centrale plaats innamen, die van de mythe en de religie. Veel filosofen – en niet alleen die van de Verlichting – hebben een niet gering deel van hun denkkracht gestoken in het bevorderen van redelijk inzicht in de werkelijkheid. Dat ging vaak gepaard met de bestrijding van de irrationaliteit die zo kenmerkend werd geacht voor het mythische en religieuze wereldbeeld. Als filosofie over rituelen handelde, dan toch met de restrictie en onder het voorbehoud  dat het ging om een stadium van ontwikkeling dat de mens ver achter heeft gelaten.

Toch wil ik laten zien dat een filosofische benadering van het fenomeen ‘rituelen’ deze reserve niet verdient. Sterker nog, ik meen dat zo’n benadering heel wel verhelderend kan werken, in twee opzichten. Niet alleen om de zin van rituelen beter te verstaan, maar wellicht kan de wijsbegeerte zelf ook nog haar voordeel doen met zo’n confrontatie. De interpretatie die ik naar voren wil brengen is die in termen van een ‘spel’, en wel een spel met regels. Daarbij wordt met name het regelbegrip gebruikt om het ritueel als verschijnsel nader te duiden. Ik hoop te kunnen verhelderen waarom rituele handelingen te beschouwen zijn als ‘regelgeleid gedrag’, maar vooral wat de implicaties zijn van zo’n benaderingswijze en de winst ervan. Na een excurs naar de geschiedenis van de wijsbegeerte introduceer ik een denkbeeldige onderzoeker van rituelen die geen eigen voorkennis heeft, als het ware ‘from scratch’, om na te gaan op welke kennis- en sociale voorwaarden hij een ritueel zou kunnen begrijpen. Ter voorbereiding daartoe gebruik ik eerst het voorbeeld van een sportwedstrijd. Die wordt immers bepaald door regels en spel, ze vormen als het ware het wezen ervan. Aan het einde van het opstel keer ik terug naar deze inleiding. Heeft de korte kennismaking met rituelen ook de wijsbegeerte iets opgeleverd?

 

Rationaliteit en de uitweg van het spel

De aandacht voor het spel in de wijsgerige reflectie heeft een interessante historische achtergrond in discussies die nu hun zin nog niet hebben verloren. Een belangrijke filosofische kwestie is hier aan de orde: de verhouding tussen kennen en handelen. Klassiek is het onderscheid tussen de twee soorten kennis, de theoretische kennis waar de wijsgeer naar streeft, de beschouwing, en de kennis met betrekking tot het handelen, waarin iedere mens als zodanig belangstelt, begripskennis en praktische kennis. Dat is de zin van de uitspraak van Aristoteles uit zijn Metafysica: ‘Ieder streeft van nature naar weten’. De wijsbegeerte verdeelde haar aandacht gelijkelijk over beide kennisvormen. Die gelijkheid echter gold niet de waardering. Hoe boeiend de inzichten ook waren, niettemin zijn ze voor ons minder herkenbaar geworden. Begripskennis is eeuwenlang het ideaal van de filosofie geweest. Westerse filosofen hebben steeds getracht een eigen status voor praktische kennis te reserveren en  Aristoteles heeft zich daarvoor in het bijzonder beijverd. Overtuigd aanhanger van de theoria, onderscheidde hij twee soorten syllogismen (sluitredenen), het logisch syllogisme, bestaande uit twee premissen en een conclusie, die een uitspraak over de werkelijkheid bevat. En daarnaast het zogeheten praktisch syllogisme, dat dezelfde structuur heeft. Maar in dat geval leidt ze niet zozeer tot een uitspraak maar tot een handeling. Aristoteles gaat ervan uit dat iemand die goed handelt in praktische zin wijs is, blijk geeft van inzicht in de omstandigheden, zoals een schipper die heeft om zijn vaartuig veilig door de storm te loodsen. Hij maakt echter tevens duidelijk dat dit praktische inzicht, hoe belangrijk ook, in genen dele inferieur is, maar toch ten achter staat bij de zekerheid van het beschouwelijk kennen. Het praktische syllogisme is gemodelleerd naar de begripskennis. Theoretische waarheid gaat boven praktische.

Deze verhouding van theorie en praxis heeft eeuwenlang gegolden, tot in de praktische rede van Kant toe. Pas aan het begin van de 20e eeuw is in het wijsgerig klimaat wat dit betreft een verandering te ontwaren. In de Wijsgerige Antropologie – aanvankelijk een stroming en benaderingswijze, later een geaccepteerd onderdeel van de filosofie – komt een opmerkelijke aandacht naar voren voor een theorie over het menselijk handelen. Dit is niet de plaats om op de gecompliceerde achtergrond hiervan in te gaan. Niettemin, ter toelichting, twee opmerkingen.

De groeiende aandacht voor een theorie over het menselijk handelen heeft te maken met het proces van ondermijning door marxisme, darwinisme en freudianisme van het eeuwenlang gekoesterde rationaliteitsideaal dat in de wijsbegeerte werd gekoesterd. Op grond van die inzichten bleek de mens, die zichzelf eeuwenlang bij voorkeur de titel van ‘redelijk wezen’ had gegeven, aanzienlijk sterker door irrationele drijfveren geleid - om niet te zeggen gedreven - dan hem lief was. Die inzichten brachten hem wel in een gecompliceerd en vooral verwarrend parket. Voorbeeld van de verwarring die het darwinisme teweeg bracht, was een situatie die de filosoof Johan van der Hoeven eens heeft omschreven als  ‘trots  op zijn eigen zelfvernedering’ .

De nieuwe handelingstheorie van de mens was, anderzijds, ook geboden omdat een veldwinnende mechanistische opvatting over zijn handelen als een bedreiging werd ervaren. Volgens deze opvatting leek de tijd rijp voor een vergaande invloed van natuurwetenschappelijke methoden op de studie over de mens. Zo zou eindelijk het ideaal worden bereikt dat in de 17e eeuw al was gekoesterd: een echte, op wetenschappelijke leest geschoeide, psychologie. Om het wat zwaar, maar niet onjuist uit te drukken: in deze tendensen heeft men een bedreiging gezien van het humanum. De wijsbegeerte diende zich hierop te bezinnen en de vraag was hoe ze hierop had te reageren, zonder geheel afstand van te nemen van de wetenschappelijk resultaten.

Hierover valt veel meer  melden. Opmerkelijk is in elk geval dat zich in dit klimaat van verwarring noties aandienden, die sindsdien niet gemakkelijk meer uit de filosofie zijn geweken, die van ‘spel’ en ‘regel’. Het beroep op het spelbegrip kan, zeker ten dele, worden beschouwd als antwoord op de vermelde bedreiging. Bij tenminste drie filosofen van naam komt het spelbegrip voor. Hoe divers ze ook van achtergrond zijn, hebben Nietzsche, de fenomenologie (Heidegger, vooral diens leerling Egon Fink) en Wittgenstein het spelbegrip een centrale plaats gegeven. (Veel van wat in dit opstel wordt gezegd over ‘spel’ gaat terug op de laatste). Het bleef niet tot de filosofie beperkt, uiteraard komt, zij het later, ook onze eigen Johan Huizinga. Spel en regel kunnen worden beschouwd als perspectieven of metaforen, die iets uitdrukken wat fundamenteel is voor het verstaan van de mens. In zekere zin vormden ze een uitweg uit de verwarring. Want tegen de achtergrond van de zojuist geschetste ontwikkelingen kan worden gesteld, dat ‘spel’ diende om twee gevaarlijke valkuilen te ontwijken. Enerzijds een interpretatie van menselijke gedragingen in termen van streng-natuurwetenschappelijke wetmatigheden, waarmee de eigenlijke zin van menselijke handelingen verloren zou gaan. Anderzijds kan de introductie van de notie ‘spel met regels’ worden gezien in het licht van het streven om in menselijk gedrag desondanks een zekere orde te bewaren, gekoppeld aan de betekenis van zijn handelen. Of het spel zelf dan van rationele aard is, heeft minder belang. Maar dat de mens zichzelf regels kan stellen en zich aan de door hemzelf gestelde regels kan houden, vormt een fors pleidooi voor zijn rationaliteit - zoals Kant al had betoogd. Als menselijke handelingen puur-individuele expressies zouden zijn, zouden kader en raamwerk ontbreken om zijn gedragingen te begrijpen, en er geen criteria of maatstaven meer zijn om deze te beoordelen. Simpel gezegd: Het spelbegrip zelf vormt de oplossing voor een problematiek waarin de rationaliteit kan worden bewaard, zonder terug te vallen op het overleefde en beperkte concept van een klassieke ratio. Regels vertegenwoordigen een combinatie van gedetermineerdheid en keuze, ze perken in, maar scheppen ook vrijheid. Ze zijn voorwaarden voor het handelen, dat zich als spel voordoet.  Filosofisch uitgedrukt zijn regels voorwaarden voor het spel, ze maken het spel mogelijk. Tegelijk bepalen ze (in letterlijke zin van afpalen) ook datgene wat mogelijk is of kan, wat behoort toe, of valt onder het spel. Wat niet behoort bij het spel is zinledig, zonder betekenis. Wat ertoe kan worden gerekend, heeft zin. Regels dragen, in de zin van Kant, een ‘transcendentaal’ karakter.


Sport en spel

Laten we deze noties wat nader bekijken. Spel valt te omschrijven als maatgevend kader waarbinnen menselijk handelingen betekenis krijgen en dat voorts in staat stelt tot een zinvolle interpretatie van humaan gedrag. Maar wat zijn regels en hoe functioneren ze? We proberen er in een aantal stappen achter te komen aan de hand van een voorbeeld.

Neem gedrag dat bij uitstek aan regels onderhevig is: een sportwedstrijd, twee teams in een veld met een bal. Neem daarnaast een toeschouwer die wat zich voor zijn ogen afspeelt, niet eerder heeft gezien. De vraag is dan: wat neemt hij waar en wat begrijpt hij? In elk geval een groot aantal fysieke en verplaatsingsbewegingen, lichamen die zich bewegen met een bepaald doel, een bal die wordt gemanipuleerd. Enthousiasme en opwinding, aanmoediging, commentaar en kritiek, uitingen van goedkeuring of afkeur (al dan niet van agressief allooi, moeten we er nu aan toevoegen). Maar is dit nu wat onder deze sport wordt verstaan, hiermee wordt toch niet (of hoogstens slechts zeer ten dele) beschreven wat zich in werkelijkheid voordoet? Onze argeloze toeschouwer vermoedt – terecht – in het geheel van de bewegingen een samenhang, die hij zelf in verband kan brengen met de reacties om hem heen van enthousiasme en teleurstelling. Hij weet nauwelijks iets, maar dit is wel zeker: de bewegingen mogen fysiek zijn, de samenhang is niet zelf van fysieke aard. Zijn belangstelling gaat niet uit naar het gegeven dat die en die beweging wordt veroorzaakt door een andere en deze op haar beurt weer door andere bewegingen. Bewegingen-sec gaan hem niet aan, evenmin als causale samenhangen. Hij heeft andere interesses: Waarom doet deze of gene speler dit, of laat hij het na? Vanwaar de geestdrift of het gefluit van de andere toeschouwers? Dit komt neer op de vraag: als dit een sportwedstrijd is, wat is in dit spel mogelijk en wat niet, toegestaan of verboden, zinvol of zinloos?

 

Regels en wat dies meer zij

De vraag is dan hoe hij aan de broodnodige kennis komt. Niet uit zichzelf, bij voorbeeld door eigen zuivere waarneming. Door waarneming alleen zijn de antwoorden op dergelijk vragen nauwelijks, of zelfs helemaal niet, te vinden - ieder die wel eens als buitenstaander een cricketwedstrijd heeft meegemaakt kan dit bevestigen. Een andere mogelijkheid doet zich echter voor. Hij kan, een samenhang vermoedend, achter de structuur van het spel komen. Hij zoekt dan naar regels. Die achterhaalt hij door te vragen dan wel door ze op te zoeken. Met die kennis bekijkt hij het gebeuren met andere ogen. Hij begrijpt dan tevens dat de toeschouwer als kenner het spel anders gadeslaat en erbij betrokken is dan de onwetende. Daarmee is veel gewonnen voor het begrip. Maar heeft hij zich nu van niet-wetende tot insider opgewerkt? Het antwoord op die vraag is van betekenis. Voor zover iemand de samenhang in het spel kan begrijpen en uitleggen, kent hij het spel en de regels. Er was een verschil tussen zijn onwetendheid en zijn omgeving van kenners.  In dat gebrek heeft hij voorzien en het verschil genivelleerd. Maar er is nog een onderscheid, namelijk tussen deze kennis en de kennis van de deelnemers zelf aan het spel. Het gaat dan om de vraag of iemand die weet heeft van de regels, het spel ook werkelijk kent. Dat is een andere, nieuwe vraag en het staat nog te bezien. Degene die niet alleen bijwoner is bij het spel, maar er ook aan deelneemt, kan immers met meer recht zeggen dat hij zich ‘de regels heeft eigen gemaakt’. Hij weet wat in een gegeven situatie valt onder de buitenspelregel, voorkomt buitenspel of maakt er gebruik van. Hij handelt dienovereenkomstig, volgens de regels en overeenkomstig de situatie. Zo kun je het omschrijven, maar een gevolgelijk gebeuren is dit niet, eigenlijk is hier ook geen sprake van conditionerende kennis.. Het is niet zo dat hij eerst weet en vervolgens handelt. Nee, het bijzondere – en moeilijk te vatten – is dat hij al handelend blijk geeft van zijn kennis, hij brengt al kennende, de regels ‘in de praktijk’.

 

Praktische kennis

’Regels (werkelijk) kennen’ is, zo leert dit voorbeeld, aanzienlijk méér dan weten dat iets zo is (propositionele kennis). Maar wat is het dan? Het niet zo gemakkelijk om aan te geven welke vorm van kennis het hier wèl betreft. Het ‘weten’ dat hier aan de orde is, is een vorm van inzicht in de situatie die te maken heeft met de toepassing van de regels (en uiteraard kennis van de regels veronderstelt). Dat inzicht is verwant met een veelal intuïtief-praktisch inzicht in de juistheid of onjuistheid van een handeling, de adequaatheid of inadequaatheid van een reactie, waarover Aristoteles al sprak. Het vormt een antwoord op de vraag: Welke regel gaat hier op en hoe daarmee om te gaan? Wittgenstein zegt dan ook: ‘het gebruik van het woord “regel” is met het gebruik van het woord “gelijk” verweven. En hij voegt daaraan, ter verklaring aan toe: ‘zoals het gebruik van het woord  “waar” met het gebruik van het woord  ”uitspraak” .

 

Rituelen als spel

Maar hoe zit het nu, na deze lange voorbereiding van het thema, met rituelen? Laten we ons, gebruikmakend van het bovenstaande, eens trachten te verplaatsen in de positie van de onderzoeker van een ritueel. Hoe observeert een cultureel antropoloog een ritueel dat zich in een gemeenschap voltrekt en waarbij zijn aanwezigheid wordt toegestaan, maar waarvan hij verder geen weet heeft?  Uiteraard is dan de gedachte van ‘fysieke bewegingen zonder traceerbare zin en samenhang’ een geheel onbruikbare optie voor zijn onderzoek. Als al de situatie dit hem al niet zelf te verstaan zou geven, dan zou zijn positie als onderzoeker hem er zeker toe dwingen. Het betreft hier immers een bij uitstek zinvolle gebeurtenis. Maar hij is er zich ook scherp, wellicht pijnlijk, van bewust dat die zin vooralsnog alleen geldt voor de participanten, niet voor hem. Zijn taak is nu om de betekenis van het ritueel achterhalen, dat is zijn rol van wetenschapper als betrokken waarnemer. De vraag is alleen: Hoe achterhaalt hij de betekenis van wat hij waarneemt? Die vraag is uiteraard des te meer van belang naarmate het ritueel van meer betekenis is voor de onderzochte gemeenschap, maar dat is slechts een kwestie van gradatie. Mocht hij de zin ervan niet kunnen duiden, dan mist hij, met de kans om haar beter te leren kennen, tevens de mogelijkheid tot inzicht in haar wezen. In zijn poging tot duiding stuit hij echter op verschillende barrières waarvan we in het voorbeeld van de sportwedstrijd een voorproefje hebben gezien. Ze zijn alleen uitgebreider en vooral meer fundamenteel.

 

Struikelblokken voor begrip en engagement van de onderzoeker

Die moeilijkheden zijn methodologisch, psychosociaal en cultureel van aard. Methodologische struikelblokken worden opgeworpen door de vraag: Welke regels gelden voor dit ritueel’? Hij kan, als hij de taal verstaat, de woorden volgen die worden uitgesproken (als dat het geval is) en in combinatie met de overige kennis die hij heeft opdoet, tot zijn duiding komen. Hij kan, eveneens rechtstreeks, vragen stellen naar de betekenis van bepaalde rituele handelingen om op die manier achter de geldende regels te komen. Een derde weg is tenslotte om te vragen naar de regels zelf. Maar in het tweede en derde geval stuit hij zeer waarschijnlijk op moeilijkheden van psychosociale aard. Rituelen zijn, bijna naar hun wezen, besloten gebeurtenissen, van een intimiteit die geldt voor de eigen samenleving en bescherming biedt. Voor zover ze publiek zijn, wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen insiders en outsiders omdat het ritueel  alles te maken heeft met de identiteit van de gemeenschap en daartoe hoort de onderzoeker nu eenmaal niet. Die identiteit, dat eigene, wordt, dat kun je wel aannemen, ongaarne uitgeleverd of prijsgegeven aan de blik en het begrip van een buitenstaander. Antwoorden op directe vragen van de onderzoeker veronderstellen daarom een groot vertrouwen in hem. Daarmee dreigt een vicieuze cirkel te ontstaan omdat dat vertrouwen pas wordt geschonken als de onderzoeker blijk geeft van zijn inzicht. Daar komt, in het geval van het vragen naar regels een niet geringe  moeilijkheid bij. Want kan alles in regels worden uitgedrukt, blijft er niet al dan niet met opzet, heel wat ‘tacit knowledge’ achter?

Je zou dus kunnen zeggen dat hij als het ware wordt gedwongen om zijn positie als buitenstaander op te geven. Zolang hij zich geen insider heeft betoond, zal hem de zin van het ritueel niet worden geopenbaard. De gerechtvaardigde reserves die de anderen koesteren, worden alleen overwonnen als hij zelf op één of andere wijze, toetreedt tot de gemeenschap. Om de zin van het ritueel te ontdekken, zal hij deelnemer moeten worden: participerend observator. Als hij echter eenmaal zover is, zich bewezen heeft als lid van de gemeenschap, doet zich een derde moeilijkheid voor, één van culturele aard. Zijn afstandelijkheid geeft hij prijs, maar als leren kennen praktiseren betekent, is het de vraag of hij zijn positie als wetenschapsbeoefenaar niet verspeelt. Als mens zal hem participatie wellicht niet moeilijk vallen. Maar is dit opgenomen worden in het object van zijn onderzoek geen bedreiging voor zijn wetenschappelijke integriteit? Zich onderwerpen aan regels betekent een speciaal soort kennen verwerven.

 

Theoretische en praktische kennis

De regels die onze onderzoeker ontdekt door zijn participerende observatie zijn van andere aard dan wetmatigheden of generalisaties. Regels stichten een regelmaat die eventueel in generalisaties kan worden uitgedrukt, maar regelgeleid gedrag is méér dan regelmatigheid. Generalisaties gaan op of zijn waar (indien deze omstandigheden, dan gebeurt dit of dat). Regels echter zijn van kracht of worden in acht genomen (indien deze omstandigheden, dan behoort dit te worden gedaan). Regels drukken zoiets als een verplichting uit: iemand (of een gemeenschap) neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de uitvoering. Dit is het eerste verschil tussen theoretische en praktische kennis. Een tweede onderscheid: deze handelingskennis vooronderstelt niet dat er bewust op regels is gereflecteerd. ‘In acht nemen’ betekent niet noodzakelijkerwijs ook theoretisch bewustzijn hebben van expliciete regels. De reële mogelijkheid dat er geen regels zijn die formuleerbaar zijn, maar toch worden nageleefd, hebben we al genoemd. Maar er is nog een punt. Als handelingskennis met theoretische kennis zou samenvallen, zou dat het handelen als handelen in de weg staan, zoals Aristoteles ons al duidelijk heeft gemaakt.

Het gaat, ten derde, in de rituele handeling, opgevat als regelgeleid gedrag, niet om een weten dat ‘propositioneel’ is, als uitspraak kan worden geformuleerd. Althans niet in zijn wezen. Dit weten is geen ‘knowing that’, het is het weten van: de kunst verstaan, zich eigen hebben gemaakt, een praxis kunnen uitoefenen. Het gaat eerder om ‘knowing how to’. Regelgeleid gedrag is dan ook evenzeer onderhevig aan een praxis die zelf als norm fungeert, als aan expliciet geformuleerde maatstaven of criteria.

Ten vierde. Dit gedrag is bovendien begrijpelijk, wanneer met ‘begrijpen’ wordt bedoeld: het kunnen vatten van een strekking of een pointe en het beoordelen of een uitvoering gepast of juist is. Dit is van directe toepassing op de positie van de onderzoeker die we hebben geïntroduceerd. Dit begrijpen wil niet zeggen ‘getuige zijn van en interpreteren’. Zou dat wel zo zijn, dan zou men op grond van uiterlijke gedragingen kunnen concluderen tot innerlijke, onzichtbare processen. Die scheiding tussen uiterlijk en innerlijk heeft hij juist moeten overwinnen om de zin van het ritueel te begrijpen: van outsider tot insider. Al doende werd hij als onderzoeker en uitvoerder van het ritueel als het ware langs hetzelfde pad geleid. Deze identificatie is van grote betekenis, zij het dat ze niet zonder moeilijkheden tot stand wordt gebracht. Het gedrag dat de onderzoeker observeert is gedrag waarvoor redenen gelden. Redenen zijn, anders dan oorzaken, rechtsgronden. Door ervan uit te gaan dat iemand redenen voor zijn handelingen weet te geven, accepteer ik een verklaring van zijn gedrag.

Regelgeleid gedrag is, ten vijfde, symbolisch en het ritueel is daarvan een goed voorbeeld. Rituele handelingen verwijzen naar elkaar én naar iets anders. Het gaat om een symbolische indicatie op grond van regels. De symboolwaarde geeft aan dat deze gedragingen een relatie hebben met andere gedragingen, maar ook met een andere werkelijkheid dan waarin ze plaatsvinden. Omdat rituelen een fundamenteel karakter hebben, betekent verandering van het ritueel verandering van een werkelijkheidsconcept. Tenslotte worden rituelen geleid door de verwachtingen die men koestert. Lid-zijn van een gemeenschap betekent: weten welke verwachtingen kunnen worden gekoesterd.

  

De mens als animal rituale

Het wordt tijd om na te gaan wat de houding van onze participerende onderzoeker impliceert. Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt dat het hier niet gaat om een puur psychologisch proces of een attitude, maar om meer. Om te begrijpen (werkelijk te begrijpen) wat zich bij een ritueel afspeelt, zo was de gedachte, dient hij zijn wetenschappelijke afstandelijkheid op te geven. Dit was, om zo te zeggen, een wetenschappelijke conditie, een paradox die nog kan worden toegelicht door te wijzen op de vruchtbaarheid van de participerende observatie voor onderzoek in de meer vertrouwde, Westerse samenlevingen. Het prijsgeven van die distantie had tot doel en leidde tot een andere vorm van kennen, die slechts door participatie eigen kon worden gemaakt. Maar zijn dit de enige implicaties? Liggen er aan zo’n houding geen veronderstellingen ten grondslag? Het lijkt zo. Uitgaan van de gedachte dat het hier gaat om regelgeleid gedrag als interpretatiesleutel, houdt meer in dan de overgang van de ene kennisvorm naar een andere. De opstelling van de onderzoeker steunt ook nog op een aantal uitgangspunten:

De eerste veronderstelling is dat hij te maken heeft met een sociale structuur waarvoor toepassing en naleving van regels van vitaal belang zijn. Dit geldt voor rituelen, of die nu van religieuze dan wel sociale aard zijn. Lid-zijn van een gemeenschap betekent: je voegen naar de maatstaven die er heersen, ze kunnen toepassen en erop aangesproken kunnen worden.

De tweede veronderstelling is dat de leden van de samenleving in staat zijn tot symbolisch handelen en (enig) begrip daarvan hebben. Rituele handelingen zijn bij uitstek symbolisch van aard, ze verwijzen naar een symbolisch universum.

De derde veronderstelling ligt niet zo voor de hand. Toch is ze te zien in het licht van wat in de vorige paragraaf is vermeld. Beschouwt de onderzoeker rituelen als regelgeleid gedrag, dan dient hij in elk geval rekening te houden met de mogelijkheid dat het gemeenschapsleven is ingebed in een tijdsorde. De regelmaat waarvan sprake was, is te duiden als een menselijke regelmaat. Dat wordt niet ontkracht doordat deze regelmaat gekoppeld wordt aan een natuurlijke  tijdsorde (zon op-en ondergang,seizoenen). Dat bij die en die gelegenheid (en alleen dan) een ritueel wordt voltrokken is op zichzelf geen reden om van een oorzakelijk of conditionerend verband te spreken. Eerder zou het gaan om menselijke vormgeving van een natuurlijk ‘gegeven’. Hier krijgt het begrip ‘verwachting’ een plaats. Regels kunnen dan ook worden omschreven als verwachtingssystemen.

We kunnen het voorgaande in één zin samenvatten. Het ritueel, opgevat als regelgeleid gedrag, toont de mens als animal symbolicum, animal sociale en animal historicum. Maken we langs deze weg de animal rituale tot interpretatiesleutel van een gemeenschap, dan heeft dit belangrijke gevolgen voor de kijk op dit soort samenlevingen.

 

Het ritueel en de filosofie

In het begin van dit opstel heb ik gesuggereerd dat het verschijnsel ritueel wellicht gebaat is met een wijsgerige benadering. Die heb ik getracht te geven. Maar tevens is geopperd dat de filosofie zelf ook haar voordeel kan doen met zo’n confrontatie, tot een ontdekking kan komen die haar ten goede kan komen. Om dit toe te lichten, gaan we nog even terug naar de geschetste achtergronden van het spelbegrip. Dat heeft, zo heb ik betoogd, direct van doen met het ontstaan van een nieuwe opvatting over het menselijk handelen. Het rationaliteitsideaal dat in de Verlichting tot ongekende bloei kwam, werd in de negentiende eeuw krachtig onderuit gehaald. Niettemin ging de gedachte van een animal rationale bij een aantal denkers niet verloren, maar kon, na de aanval erop, verdedigd worden en gehandhaafd, maar dan in gewijzigde vorm. Wellicht is het mogelijk om, uitgaande van het spelbegrip, dit eeuwenoude ideaal te restaureren, zonder het geheel te verliezen. Bij voorbeeld door te bedenken dat ‘ratio’  óók reden kan betekenen en dat ‘rationem reddere’ het geven van rekenschap inhoudt. Rekenschap geven veronderstelt een beroep op iemands verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid die uiteindelijk niet rationeel kan worden gefundeerd, maar desondanks niet ‘irrationeel’ is. Als een wijsgerige beschouwing over rituelen aanleiding geeft tot deze gedachte, dan kunnen deze bevindingen de filosofische reflectie misschien iets leren. In haar confrontatie met een aanvankelijk weinig aantrekkelijk object komt ze tot een dieper inzicht in het wezen van haar werkzaamheid.

 

Literatuur

Th. De Boer, Grondslagen van een kritische psychologie. Baarn 1980.

O.D. Duintjer, Rondom Regels. Wijsgerige gedachten omtrent regelgeleid gedrag. Meppel 1977.

Historisches Wörterbuch der Philosophie (Herausg. J. Ritter und Karlfried Günther), Bd 8, Darmstadt 1992, s.v. ‘Regel’. Zie ook: sv. ‘Regelfolgen’.

E. Rosenstock Huessy, Soziologie II (Die Vollzahl der Zeiten). Stuttgart 1958.

L. Wittgenstein, Philosophische Untersuchingen (Philosophical Investigations), 1960.